Skip to content

Een Parijse Hollander, Joris-Karl Huysmans – Recensie

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles.
Recensent Roeland Dobbelaer.


Van Rembrandt naar de heilige Lidwina van Schiedam en weer terug

Ook de studie van Marc Smeets over Joris-Karl Huysman Een Parijse Hollander bevestigt het beeld van een schrijver die als het ware twee schrijverslevens leidde. In zijn eerste schrijversleven is Huysmans (1848-1907) de auteur van gewaagde, soms bijtende romans over het Franse leven in de 19de eeuw. Hij rekende zichzelf in deze fase tot het naturalisme, de literaire stroming met als grote voorman Émile Zola, waar met soepel geschreven romans het dagelijks leven van gewone mensen werd geportretteerd vaak met een morele of maatschappijkritische ondertoon. Huysmans roman Aan de vrouw uit 1881 is hier een mooi voorbeeld van. In dit vrolijke boek worstelen twee vrienden, een gemankeerd schrijver en een schilder, met de omgang met het andere geslacht. De heren verkondigen luidruchtig dat vrouwen niet deugen, maar zijn volkomen afhankelijk van de dames in hun leven. Want wie doet anders de was of kookt het eten? En dan hebben we nog niet gesproken van de “verleidingen van de vrouwelijke onderrokken”. Huysmans maakte ook naam als kunstkenner en -criticus.

Zelf was Huysmans een wat tobberige man, hij lijdt aan zenuwpijnen, heeft vaak geldproblemen en andere zorgen. Niet op de laatste plaats maakt hij zich druk over zijn rol in het Franse schrijverslandschap. In zijn romans lezen we vaak over schrijvers of intellectuelen die wel een beetje op Huysmans lijken. Huysmans-kenner Jan Siebelink schreef eens dat “Voordat Huysmans zijn boeken schreef, [hij] ze eerst [heeft] beleefd.”

In zijn tweede schrijversleven is Huysmans bekeerd tot het katholicisme en produceert hij katholieke romans én essays over kunst, met daarin veel aandacht voor het lijden en de bekering van mensen. Ik las jaren terug Lourdes en de massa, zijn laatste boek, en snapte er niets van. “Als er iemand is die nooit het verlangen heeft gekend naar Lourdes te gaan, ben ik dat wel, “schrijft Huysmans in het tweede hoofdstuk. Waarom dan een boek over Lourdes? Na het lezen van Een Parijse Hollander van de Nijmeegse literatuurwetenschapper Marc Smeets is het allemaal beter te plaatsen. Smeets gaat in op de bekering van Huysmans die verklaard wordt als “het gevolg van innerlijke onrust die een aantal jaren heeft geduurd.” Het beeld doemt op van een schrijver die al jaren niet goed weet wat hij met het leven aan moet en een oplossing hiervoor vindt in het geloof.

Centraal in het boek van Smeets is de band die Huysmans had met Nederland. In Een Parijse Hollander laat Smeets zien dat in beide fases van zijn schrijverschap Nederland een belangrijke rol speelde. Het boek van Smeets leest als een aangename kennismaking met het leven en werk van Huysmans, al gaat het hier en daar voor de leek wel behoorlijk de diepte in. Maar goed, het is een literatuurwetenschappelijk studie en dan mag het. Zowel de persoonlijke relatie van de in Parijs geboren en getogen Huysman met Nederland (hij had een Nederlandse vader), als de invloed van kunstenaars uit de lage landen op zijn werk komen ruim aan bod. Ook beschrijft Smeets de ontvangst van het werk van Huysmans in ons land in de 19de eeuw en diens relaties met een aantal Nederlandse schrijvers.

Huysmans had een ambivalente relatie met Nederland. Hij sprak geen woord Nederlands, maar bezocht het land meerdere malen. Huysmans kreeg bij zijn geboorte de voornamen Charles-Marie-Georges. Om de band met Nederland te beklemtonen vernederlandste hij zijn naam naar Joris-Karl. Zijn Nederlandse oom Constant wees hem er fijntjes op dat hij van Franse ‘Georges’ het Duitse ‘Karl’ en niet het Nederlandse ‘Karel’ had gemaakt. Later verwaterde het contact met zijn familie. Een van de redenen hiervoor was een erfeniskwestie die naar de mening van Huysmans nooit goed opgelost werd. “In de afhandeling van de nalatenschap heeft Huysmans zich niet van zijn beste kant laten zien,” oordeelt Smeets. In zijn Nederlandse bewonderaar en literatuurkenner Arij Prins vindt Huysmans een belangrijke pleitbezorger. Prins probeert niet alleen overal waar hij kan het werk van Huysmans te introduceren en te verdedigen, maar helpt de Franse schrijver ook met de afhandeling van de erfenis. De heren schrijven elkaar regelmatig en Huysmans bezoekt Prins een aantal malen.

In deze jaren bezoekt Huysmans ook Amsterdam en Haarlem. In een het essay over Nederland uit 1877, In Holland, geeft hij een mooi verslag van een van zijn reizen. Hij beschrijft ons land als een natie van welvaart en geluk en roemt de kunst van Rembrandt en andere Nederlandse kunstenaars. Wel waarschuwt hij dat mensen die dit Nederland nog willen zien haast moeten maken. Ook de Nederlandse dorpen en steden zullen binnen kort naar “Parijse trant versiert” – lees gemoderniseerd – worden. Later zou Huysmans zich realiseren dat hij misschien met een te roze bril naar Nederland keek. Smeets laat zien dat in Huysmans bekendste boek, Tegen de keer uit 1884, de Nederlandse kunst een belangrijke bijrol speelt. De hoofdpersoon Des Esseintes kent alle Nederlandse kunst uit het Louvre, door deze kunst leek Nederland altijd een prachtig “sprookjesachtig land”. Des Esseintes realiseert zich na een bezoek van Nederland “dat de schilderijen van de Hollandse school in het Louvre hem hadden misleid […], nergens had hij weiden gezien, vol vaten, waar boeren en boerinnen dansten, huilend van vreugde en springend van plezier […]. Holland was een land als alle andere landen,” schrijft Huysmans in Tegen de keer.

Jaren later krijgt Nederland weer een hoofdrol in het leven van Huysmans. Eenmaal katholiek raakt hij idolaat van Lidwina van Schiedam, een heilige uit de late middeleeuwen die haar hele leven aan helse pijnen leed, veroorzaakt door gruwelijke wonden die maar niet wilden genezen. Haar geloof in God wankelde geen moment. Smeets stelt dat Huysman probeerde de hagiografie (biografie van een heilige) opnieuw uit te vinden. Het verdrietige leven van deze Schiedamse heilige was ideaal hiervoor. “Zoals een goed naturalist betaamt beschrijft Huysmans deze martelgang in geuren en kleuren,” merkt Smeets op. Huymans bezoekt opnieuw Nederland voor zijn onderzoek naar het leven van Lidwina en schrijft:

“Eerlijk gezegd was het Holland waarin ik terugkeerde zo anders dan het land dat ik in mijn kinderjaren en ook daarna nog had bereisd, was het land zo op de schop gegaan, met uitgegroeide steden vol lanen en bouwsels, dat ik van deze reis geen hoge verwachting had.”

Ook als katholiek schrijver blijft Huysmans zich in de kunsten verdiepen. In zijn laatste jaren gaat het dan vooral over mystieke kunst; de Vlaamse Primitieven maar ook Rembrandt komt dan weer ter sprake. Huysman probeert aan te tonen dat Rembrandt de mystiek van de Vlaamse meesters probeert voor te zetten. En zo, concludeert Smeets, is de cirkel rond. Rembrandt is de enige schilder die in het werk van Huysmans “zowel voor als na de bekering een rol speelt. En leuke bijkomstigheid, hij is Hollands.”